Sprank 04 Voorkant omslagAls bij toverslag waren ze er. Dunne, leizwarte naaktslakken. Ze gleden door de aderen van je borst en nek. Ze kwamen uit je oren. Je kende haar. Je kende haar meer dan goed. Je had alleen nooit naar haar naam gevraagd. ‘Kleintje’ noemde jij haar. Maar je wist nog hoe ze rook. Je wist nog hoe ze rilde, toen je tong naar haar oorlel gleed. Je wist nog hoe ze tussen haar tanden door blies toen je zachtjes in haar tepel beet. En nu staarden haar dode ogen over je heen alsof ze een pop was. Haar armen leken losgeraakt bij de schouder, zoals wanneer de elastiek in het binnenste is geknapt. Haar benen leken langer dan anders, nu ze geen kousen meer droegen. Je kon er alleen met moeite naar kijken. Salomons ogen prikten in je kruin, terwijl hij jouw reactie probeerde te peilen. Je wist dat Renate niet ver weg was – ze wachtte op de gang – maar je zou willen dat je haar kon aanraken nu. Ingespannen om vooral niet te trillen, legde je de Polaroid langzaam terug op de gladde tafel. Escargots hebben nog wel iets erotisch, aangezien ze verdacht veel lijken op de kittelaar van een Kongolese kruisslavin. Maar naaktslakken… Naaktslakken zijn alleen maar slijmerig. Ze lijken ontdaan van alles dat maar ergens op zou kunnen lijken. Ze hadden massaal je aderen verlaten en glibberden nu onder je huid. Hun sporen trokken plakkerig aan de binnenkant van je vel. “En…? Kent u haar nu?” Je huid tintelde en bewoog waar je dat niet wilde. Je had het koud. “Ja. Ik weet niet hoe ze heet, maar ze kwam hier inderdaad vaker. Ze werkte hier in de club, geloof ik.” “Dat gelooft u?” “Het is niet altijd even duidelijk of iemand hier werkt of niet. Soms is het gewoon gezellig. We kennen elkaar al lang.” “Toen mijn collega vroeg of u het slachtoffer kende, zei u van niet.” “Ik… Ik herkende haar naam niet. Maar ik ken haar wel. Daarom schrik ik nu een beetje. Ik noemde haar meestal gewoon ‘kleintje’. Maar ik ken haar, ja. Voor zover als ik weet, was ze er altijd.” Je wilde uitleggen dat sommige bezoekers van een parenclub voorzichtig zijn met het gebruiken van hun eigen naam en dat jij er, om niemand in verlegenheid te brengen, dus niet gauw naar vraagt. Maar je slikte het in. Hij zou het waarschijnlijk toch niet begrijpen en het deed er eigenlijk niet toe.

Er werd geklopt. Salomons collega stak zijn hoofd kort om de deurpost en schoof toen galant naar achteren om Cynthia door te laten. Die trippelde op haar gemak met een dienblaadje in haar handen naar jullie toe. In deze ruimte was je nooit eerder geweest. Quirijn en Cynthia gebruikten het als een soort van kantoortje, zo te zien. Een zwarte plastic tafel uit de tachtiger jaren met bijbehorende stalen stoelen vulden naast een grijze archiefkast de kleine ruimte. Je stelde je voor dat de tafel normaal vol zou liggen met papieren: salarisadministratie en rekeningen. Nu was het blad helemaal vrijgemaakt. In het gele licht van een zwaar bestoft peertje zag je dat de muren vol hingen met foto’s van meisjes uit het escortverleden van Quirijn. Cynthia zette zogenaamd discreet een kopje dampende koffie, een melkkannetje en een suikerpot neer voor de rechercheur. Die had maar al te goed door dat zij nieuwsgierig was naar wat er werd besproken. Hij hield onverstoord zijn mond tot ze weer was verdwenen. Op het plastic tafelblad voor je staarde Fieke’s foto je nog steeds vragend aan. Vreemd eigenlijk: je zou het omgekeerd verwachten. Toch kwamen vooral gezichten op zwart-wit foto’s altijd meer tot leven dan in kleur. In kleur leek de huid altijd vlak en doods, terwijl zwart-wit iedere gelaatsspier die op het punt stond te bewegen wist te betrappen. “Was er dus altijd, zegt u. En u, was u er ook altijd?” Zijn stem klonk volstrekt emotieloos. “Wij zijn hier iedere vrije zaterdag. We slaan wel een eens weekje over, als er iets anders is. Maar in principe…” “Maar u wist niet hoe ze heette?” Tot je verbazing zag je hoe de fijne handen van de dikke rechercheur het ene suikerklontje na het andere in zijn koffie lieten zakken. “Nee. Kijk, niet iedereen gebruikt altijd zijn of haar eigen naam. Je weet immers nooit hoe ze op je werk erover denken dat je dit soort dingen doet. En uiteindelijk… als je al lang weet wie iemand is, omdat je elkaar regelmatig ziet, waarom zou je dan nog naar een naam vragen? Je kunt elkaar ook even aanraken als je iets wil zeggen. Hier tenminste.” “Hm.” De rechercheur roerde in zijn koffie: traag en gecontroleerd. Misschien was zijn koffie wel zo dik geworden van de suiker dat het niet sneller meer kon. Hij keek je zelden aan. Hij stelde zijn vragen aan de stoffige lucht om hem heen, zo leek het. Of aan ieder die het horen wilde. Een uitgesproken lelijke man, eigenlijk. Hij leek nog het meest op zo’n vechthond waar je mannen met een klein piemetje wel mee ziet lopen. Zijn askleurige haar was te lang in zijn nek. Hij ademde zwaar. “En u zegt dat u gelooft dat ze hier werkte. Wat voor werk deed ze dan volgens u? Stond ze achter de bar? Maakte ze schoon?” “Nee. Ja: ze stond wel eens achter de bar, als het druk was. Maar dat was meer omdat ze de weg wist. En iedereen die binnen is, heeft toch al betaald. Ik denk niet dat ze voor Quirijn werkte. Ze werkte voor zichzelf, geloof ik. Als zelfstandige. Ze bood bepaalde diensten aan voor geld. Dat heb ik altijd gedacht, tenminste.” “En hoe werd dat dan geregeld, met dat geld? U zegt net dat iedereen aan de deur al voor alles betaalt.” “Dat weet ik niet. Misschien gingen ze het uit hun kluisje halen. Ik weet het niet.” Twee loden schuifdeuren vernauwden je zicht en drukten tegen je oren tot je zwart zag. Ze bonsden tegen je slapen. “U heeft nooit van haar diensten gebruik gemaakt?” “Ik… Ik heb haar nooit betaald.” “U heeft haar nooit betaald?” “Nee. Ik bedoel: ze heeft mij nooit om geld gevraagd. Dat zou ik ook nooit doen zo. Het was trouwens nooit nodig. Ik zeg al: het was niet altijd voor werk. Zij was er ook wel eens gewoon om plezier te maken. Het…” “Wanneer heeft u voor het laatst seks met haar gehad?” Nu keek Salomon je aan. Nu doken zijn pupillen onder die vuurstenen wenkbrauwen uit en brandden op je voorhoofd. De schuifdeuren hadden vlam gevat. Je hals gloeide ervan. Je oorschelpen prikten. “Ik heb vorige week zaterdag nog seks met haar gehad.”

Je kon niet liegen. Waarom zou je ook? Uiteindelijk zouden ze er toch achter zijn gekomen. Al was het maar doordat Renate het zou hebben verteld. Maar je begreep ook dat jij vanaf nu een verdachte zou zijn. Met alle toestanden van dien. Nu zouden ze je gaan natrekken. Kijken of je een strafblad had en zo. Dat had je niet, maar toch. Vingerafdrukken opnemen misschien. En ze zouden meer van jou en van jullie willen weten. Nu was je voorlopig nog niet van ze af. “Goed. Mag ik u vragen waar u seks heeft gehad met dit meisje?” “In die ruimte waar ze gevonden is. Hier aan het eind van de gang de eerste links.” Salomons ogen keken niet meer weg. “En waar was uw vrouw op dat moment?” “Boven, denk ik. Bij de bar.” “Wist zij dat u met haar beneden was?” “Ja, natuurlijk. Ze heeft ons allebei nog gekust voor we gingen.” “En hoe laat was dat?” “Dat weet ik niet.” “Had u een horloge om?” “Ja, ik had geloof ik wel een horloge om. Maar ik heb er niet op gekeken. Het was later op de avond; niet helemaal in het begin. Ik weet echt niet hoe laat precies.” Er ging van alles door je hoofd. Het was ook zo’n onwezenlijke situatie, dit. Bijna iets voor een komedie: jij hier in je onderbroek op het doorgesleten sky van een ouderwetse kantoorstoel, die rechercheurs tegenover je – helemaal in pak – en dan zo’n onderwerp… En de verschrikkelijke gedachte dat er ondanks die ongeloofwaardige enscenering wel echt iemand vermoord was, nog geen vijf meter hier vandaan, twee deuren verder. Een lief, vrolijk meisje dat een week geleden nog in jouw armen lag. Nu lag ze ergens in een zak in een mortuarium. Dood. Om nooit meer op te staan. Of zou ze al begraven zijn?