Kopie van Moro-reflex 05 Voorkant omslagEr loopt iemand door mijn kamer. Ik verbeeld het mij niet. Het is een persoon in mijn kamer, niet in mijn hoofd. Ik mag dan brak zijn; ik weet wat ik hoor. Tot twee maal toe stootte hij tegen de stoel. Onder mijn bed ligt een kleine halter, waarmee ik soms mijn bovenarmen train. Zou ik van het donker gebruik kunnen maken door er ongezien naar te reiken? Al kan ik de indringer niet zien, ik zou er toch mee kunnen slaan. (…) “Ben je wakker?” Het is de stem van een vrouw. Hoewel daar geen geldige reden voor is, stelt die constatering mij gerust. Moet ik mij slapend houden? Wie is zij? Volgens mij heb ik die stem vaker gehoord. “Vincent ben je wakker?” Weinig mensen zeggen Vincent tegen mij. De meesten noemen me Jozef. God mag weten waarom. Vincent is de naam die mijn moeder mij gegeven heeft. Mijn vader noemde me meestal ‘die rooie’, of ‘die rooie die niet van mij is’. Maar dit is niet de stem van mijn moeder. Dit is de stem van een jonge vrouw. Oh, als ik maar één seconde helder kon denken. Andere vingers dan de mijne betasten mijn hoofd. Dan is het alsof er een atoombom in mijn gezicht ontploft. Liever had ik tien tikken met een steigerhamer tussen mijn wenkbrauwen gekregen dan zoveel licht in één keer. Er boeren zure stukjes van iets vanuit mijn maag op in mijn keelgat. Ik slik ze terug. Tussen haastig toegeknepen oogleden ontwaar ik een grijze engel in een verblindende straal. “Je ooglap zat verkeerd. Zo zie je niks. Gaat het een beetje? Voel je je niet goed?” Het is Melissa. Wat doet ze in godsnaam in mijn huis, op mijn slaapkamer? Zij was er gisteravond toch niet? “Vincent, je moet me helpen.”