Cover BokkensprongenWaar het bos het pad naar Eijgelshoven langzaam insluit, ligt een open plek aan de bosrand. Net voor die open plek wijkt de bomenrij plaatselijk voor een kleine afgrond. Daar opent het bos dus een venster op het weidse Wormdal eronder, alsof het niet wilde dat je de wereld buiten het bos zou vergeten, maar ook niet dat je het bos verlaten zou. Op die open plek staat de blonde Christian zenuwachtig zijn musket te herladen. Zijn dunne lokken veren op bij iedere beweging die hij maakt. Het ruikt sterk naar kruit om hen heen. Her en der liggen kledingstukken. Met de laadstok stampt hij de prop naar beneden. Dan schuift hij de stok weer onder de loop.

Verschrikt kijkt Christian op als hij iemand hoort naderen. Een kleine man vertraagt zijn pas als hij op de open plek komt. Over zijn schouder hangt een leren ransel. Zonder iets te zeggen blijft hij staan tussen twee dikke boomwortels op de grond, kijkt ontspannen uit over het landschap onder de luwte van de bomen en veegt zijn voorhoofd af met een grote roodbonte zakdoek, die hij uit de band van zijn broek haalt. Bij die beweging komt van onder zijn roodgevoerde kamizool de kolf van een rijpistool te voorschijn. Christian bekijkt hem met enige argwaan vanuit zijn ooghoeken en puft. Het is warm die dag, zelfs in de schaduw.

Omdat de vreemdeling geen aanstalten maakt tot een gesprek of enig ander contact zet Christian zijn musket opnieuw tegen zijn schouder. Hij hoeft niet lang te wachten. Ondanks het vorige schot vliegen er genoeg vogels voorbij. Als een vogel zijn kinderen moet voeden, negeert hij ieder alarm op den duur. Er is niets zo dwingend als de honger van je eigen bloed. Christian kiest een vogel en volgt hem. Dan slaan de stukken vuursteen tegen elkaar en klinkt er een schot. Vogelgekrijs en vleugelgeklapper. De loop van de musket is zo heet dat de lucht erboven trilt.

“Godverdomme! Godverdomme! Het wordt godverdomme niks! Het wordt niks!”

De woorden ontsnappen aan Christians tanden als een scheet die niet meer binnengehouden kan worden. Driftig schuift hij met zijn laars over de harde, droge grond. Een lichte gĂȘne overvalt hem, als hij zich realiseert dat de vreemdeling hem verstaan heeft. Het is niet zijn gewoonte om te vloeken. De man kijkt hem echter geduldig aan, zonder iets te zeggen. Zijn kleine, donkere ogen prikken recht in Christians ziel.